Czeslaw Milosz |A Poem for the end of the century
Click To Frontpage

 International 

Political Newsreview
The Amsterdam Post 
Afghan war docs

Afghanistan debat Tweede Kamer
Vergaderjaar 2001-2002
dinsdag 9 oktober 2001

Bijdrage van de heer De Graaf (Kamerlid D66), plus interrupties

De heer De Graaf (D66): voorzitter. Dit debat wordt gevoerd op het moment dat volstrekt onzeker en onduidelijk is wat de gevolgen zijn van de militaire acties van Amerika en Groot-Brittannië in Afghanistan. Wij weten in de eerste plaats niet hoe doeltreffend de gerichte bombardementen van de afgelopen nachten zijn geweest en hoe lang die zullen voortduren om daadwerkelijk effect te sorteren. Ik bedoel het niet cynisch als ik zeg dat de ervaring van Kosovo leert dat woordvoering over de effecten en het daadwerkelijke resultaat twee verschillende dingen kunnen zijn. Pas achteraf kan de effectiviteit echt worden vastgesteld. Onzeker is dus op dit moment hoe lang de acties in Afghanistan moeten duren om het terrorisme en zijn bescherming te raken. Voor mijn fractie is het immers niet de vergelding die voorop staat – ondanks alle retoriek die dezer dagen klinkt – maar het stoppen en vernietigen van structuren en middelen van een terroristisch netwerk dat in staat is gebleken het onmogelijke en het ondenkbare te realiseren. 

De rechtvaardiging van de militaire acties die nu plaatsvinden, ligt in de noodzaak om misdaden tegen de mensheid en tegen de menselijkheid, van een omvang zoals die vier weken geleden plaatsvon-den, in de toekomst te voorkomen.

Het is niet alleen een kwestie van zelfverdediging van Amerika. Het is ook en vooral een humanitaire opdracht voor alle beschaafde landen en volkeren. De fractie van D66 geeft voluit steun aan de acties vanwege de onvermijdelijke noodzaak, juist vanwege die opdracht. Hierbij past geen vrijblijvendheid, geen handen vrijhouden en later zien wat wij ervan zouden kunnen vinden. Hier past een duidelijke keuze: ofwel tegen zijn, ofwel commitment en verantwoordelijkheid, ook als het om risicovol optreden gaat. Een tussenweg is er niet. Dat verandert niet wezenlijk als Nederland zelf niet rechtstreeks betrokken is in de militaire acties. Solidariteit en verantwoordelijkheid laten zich niet opdelen in verschil-lende gradaties, afhankelijk van de vraag of wij wel of niet een schip of vliegtuig leveren. 

Nederland heeft terecht voluit steun gegeven aan de internationale coalitie en maakt daar ook deel van uit, ook nu wij zelf niet rechtstreeks in de regio aanwezig zijn. Voluit steun verlenen betekent niet slaafse steun of kritiekloos zijn. Integendeel, de goede partner in een coalitie tegen terrorisme, hoort voortdurend het doel in het oog te houden en de middelen daartegen af te wegen. Een goede bondgenoot hoort zichzelf ook vooraf af te vragen wat de condities zijn waaronder die steun voluit kan worden gegeven. Dat is ook van belang voor het draagvlak. Regering en parlement hebben dat de afgelopen weken zorgvuldig en gewetensvol gedaan en die condities staan nog steeds. Acties, van welke aard dan ook, moeten gericht zijn, proportioneel zijn, precies en in overeenstemming met het doel. Zij moeten de burgerbevolking ontzien en bijdragen aan een perspectief op een betere toekomst, zowel voor de Afghaanse bevolking als voor de wereld, die lijdt onder de angst voor terreur en instabiliteit. Voorzover wij kunnen overzien, beantwoordt het optreden van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk aan deze criteria en is onze steun dus gerechtvaardigd. 

Het is nu van het grootste belang dat het optreden van de internationale coalitie zich niet alleen richt op het verzwakken en afbreken van het Al-Qaeda-netwerk en het Taliban-regime dat de terreur beschermt en faciliteert, maar ook op een perspectief voor de miljoenen onschuldige Afghaanse burgers die al jaren lijden onder absolute wreedheden en onrecht en nu massaal van huis en haard zijn verdreven. Voedseldroppings zijn goed en symbolisch van grote waarde, maar vormen natuurlijk geen antwoord op de vraag naar een betere toekomst. De Westerse wereld zal moeten bijdragen aan fatsoenlijke opvang in de regio en aan de wederopbouw van een land dat al decennia lijdt onder de verschrikkin-gen van machtspolitiek en ideolo-gisch geweld. Afghanistan aan zijn lot overlaten als de terroristen zijn verdreven of Bin Laden is gepakt, zou simpelweg een schande zijn. Het past Nederland en de Europese Unie om zeer ruimhartig te zijn, ook naar de UNHCR. Het internationaal optreden zal bovendien moeten bijdragen aan een nieuw evenwicht in de wereld, in plaats van voeding geven aan instabiliteit, onrust en frustratie. Ook dat is allemaal nog zeer onzeker. 

Collega Van Middelkoop sprak in de pers over een ’’bang avontuur’’. Ik kan dat gevoel goed begrijpen. Amerika is in de wereld, als enige supermacht en als drager van de Westerse economie, weliswaar overal gerespecteerd, maar daarmee nog niet overal geliefd. In een aantal landen is zelfs dat een understate-ment. Internationaal optreden onder aanvoering van de Verenigde Staten kan gemakkelijk worden uitgelegd als nieuwe vormen van suprematie en machtsvertoon en kan dan ook onbedoeld krachten oproepen die onrust, geweld en escalatie veroorzaken. Het gevaar is niet denkbeeldig dat Bin Laden door grote massa’s niet wordt gezien als de terreurmisdadiger die hij is, maar als een martelaar van het ware geloof die strijdt tegen onrecht en onderdrukking. Het is de opdracht van de hele wereld, en in de eerste plaats natuurlijk van de Amerikanen, om daar ook een antwoord op te vinden. Bommen en brood zijn daarvoor niet voldoende. Zowel het verdere verloop van de acties als de Amerikaanse en Westerse buiten-landse politiek zullen in het teken moeten staan van internationale rust en het bieden van perspectief op een betere toekomst op korte, middel-lange en lange termijn. 

Amerika vraagt terecht om grote solidariteit van de wereld-gemeenschap na de verschrikkelijke aanslagen van 11 september. De wereld geeft terecht die solidariteit; het is ook ons belang. De keerzijde is echter dat ook van Amerika, méér dan in het verleden, grote solidariteit mag worden gevraagd met de wereldgemeenschap in vraagstukken die bepalend zijn voor de gemeenschappelijke toekomst van het Westen en het Oosten, van het Noorden en het Zuiden. Armoede-bestrijding, verbetering van de gezondheidszorg en welvaart, evenwichtige benadering van het Midden-Oostenconflict, wapenbeheersing, deelname aan het Internationale Strafhof en een volwaardige bijdrage aan milieu en klimaat: allemaal voorbeelden van de grote verantwoordelijkheid die op de schouders van de Verenigde Staten rust. In de toekomst zal en kan er geen plaats zijn voor het eenzijdig veilig stellen van slechts eigenbe-lang. 

De fractie van D66 steunt de regering in het ingenomen standpunt en de steun die zij heeft uitgesproken aan het internationale optreden, zowel in als buiten NAVO-verband. Drie weken geleden hebben wij al het vertrouwen gegeven aan de regering voor die situaties waarin de Kamer niet in staat is om te worden gei¨nformeerd en geconsulteerd. Die situaties kunnen zich voordoen en dan moet de regering naar goed inzicht en met wijsheid kunnen handelen. Dat wil echter niet zeggen dat het parlement daarmee zijn rechten verliest, integendeel. Vooral in onzekere tijden zijn de waarborgen van democratie belangrijk en wat mij betreft ook onontbeerlijk. Vooral in onzekere tijden zijn mensen bang en vragen zij zich af wat er gebeurt en waarom dat moet gebeuren. Openheid, maximaal informeren en draagvlak behouden zijn dan essentieel. De Kamer speelt daar een belangrijke rol in en hoort dat ook te doen. Om die reden heb ik de afgelopen weken een- en andermaal aangedrongen op goede, adequate en waar mogelijk ruimhartige informatieverstrekking aan de Kamer, waar nodig vertrouwelijk en via de meest geë igende kanalen. Een al te formalistische opstelling van het kabinet draagt daar niet altijd aan bij. 

De heer Van Middelkoop (Christen-Unie): Bedoelt de heer De Graaf te zeggen dat het kabinet op dit punt het een en ander valt te verwijten? 

De heer De Graaf (D66): De heer Van Middelkoop beseft dat ik zorgvuldig mijn eigen woorden kies. Vorige week heb ik gezegd dat ik graag had gezien dat de regering de Kamer op een vertrouwelijke manier – dat kan niet anders, maar daarvoor hebben wij dan ook bepaalde mogelijkheden – meer inzicht had geboden in hetgeen internationaal aan bewijsvoering is verzameld. Een poging van de regering in die richting had ik op prijs gesteld. Zij had ons dan maximaal kunnen informeren. Als dat niet mogelijk was, had zij ons de redenen daarvan kunnen geven. Ik houd dat staande en het geldt ook voor de komende weken. 

De heer Van Middelkoop (Christen-Unie): Het valt mij op dat u hierop terugkomt. Daaruit mag ik toch opmaken dat u niet tevreden bent over het antwoord van de regering op vragen vanuit de Kamer? De regering heeft een paar keer uitgelegd dat het echt niet kon omdat het om geclassificeerde gegevens gaat die bij de NAVO liggen. Ik begrijp van u dat u dat geen afdoende antwoord vindt. 

De heer De Graaf (D66): Het zal de heer Van Middelkoop duidelijk zijn geworden dat er in mijn mening geen verandering is gekomen. 

voorzitter. De brief die wij enkele uren geleden van de regering kregen over de actuele situatie onderstreept de positie die Nederland tot dusverre heeft ingenomen. Uit die brief wordt duidelijk dat er nog geen concrete verzoeken zijn voor een militaire bijdrage aan operaties in de Afghaanse regio of elders. Niettemin schrijft de regering dat inmiddels wel op militair niveau besprekingen worden gevoerd met Amerika. Ik leid hieruit af dat de kans reë el is dat Nederland een concrete bijdrage wordt gevraagd en dat Nederland die bijdrage zal leveren. Kunnen de bewindslieden dat bevestigen en zo mogelijk toelichten? 

De heer Marijnissen (SP): Ik heb de heer De Graaf gisteren en eergisteren nog horen zeggen dat hij het raar vond dat de minister-president niet vooraf was gei¨nformeerd. Ik neem aan dat hij is uitgesproken over de relatie tussen Nederland en de nieuwe alliantie en vraag hem of hij nog steeds die mening is toegedaan. 

De heer De Graaf (D66): Ik vind het merkwaardig dat mij wordt gevraagd of ik nog steeds vind wat ik in het recente verleden heb gezegd. Natuurlijk vind ik dat, anders had ik het niet gezegd. Ik heb overigens niet gezegd dat ik het raar vond, maar dat ik het verrassend vond. Ik vind het nog steeds verrassend – ook al is het geen hoofdzaak – dat NAVO-bondgenoten van het kaliber van Nederland niet tevoren worden gei¨nformeerd maar pas als CNN de beelden uitzendt. 

De heer Marijnissen (SP): Ik vraag het omdat u zo-even een pleidooi hield voor het informeren van de Kamer door de regering. Als er sprake is van een alliantie, zou je toch mogen verwachten dat de leading nations een land als Nederland informeren. Hebt u nog voorwaarden met betrekking tot het informeren van Nederland vooraleer wordt besloten tot deelname aan een militaire actie? 

De heer De Graaf (D66): Het zou uiterst merkwaardig zijn als Nederlandse troepen een bijdrage leveren aan de internationale coalitie in de regio, terwijl de regering niet zou weten waarvoor en waar die troepen worden ingezet. Dat lijkt mij zelfs onmogelijk en ik vraag niet eens een bevestiging aan de regering of zij die mening ook is toegedaan. 

De heer Marijnissen (SP): Het lijkt mij nogal duidelijk dat de regering geen troepen levert als zij niet weet wat ze waar moeten doen. 

De heer De Graaf (D66): U vroeg ernaar. 

De heer Marijnissen (SP): Het gaat iets verder. Bij de evaluatie van de gebeurtenissen in Kosovo hebben wij gezien dat Nederland als een belangrijk deelnemend land op cruciale momenten niet werd geconsulteerd over het gebruik van bepaalde wapens of het veranderen van de doelen. Daar hebben wij uitgebreid over gesproken en de vraag is of u de les van Kosovo in uw hoofd wilt houden op het moment dat er een besluit moet worden genomen over Nederlandse deelname aan militaire acties elders. 

De heer De Graaf (D66): U kent mijn standpunt uit het Kosovo-debat. Als Nederland een bijdrage levert, dient Nederland vooraf te worden gei¨nformeerd en geconsulteerd. Mijn standpunt dienaangaande is niet veranderd. Ik heb de indruk dat uw opmerkingen over mijn hoofd heen bedoeld zijn voor de regering, maar misschien kunt u dat straks rechtstreeks doen. 

De heer Marijnissen (SP): Dat is niet waar; ik zal het straks in mijn eigen termijn wel doen. 

De heer Van der Vlies (SGP): voorzitter. De discussies die wij de laatste dagen hebben gehad over de informatie vanuit het kabinet aan de Kamer, maken het noodzakelijk dat wij hier heel zuiver onze woorden kiezen. Nu hanteerde de heer De Graaf het woord ’’verrassend’’. De gevoelswaarde die ik daarbij heb, is van iets dat je blij maakt. Dat zal hier niet het geval zijn. Wat bedoelt hij dan? Verbazingwekkend of bedenkelijk? In beide gevallen zou ik het graag toegelicht willen zien. 

De heer De Graaf (D66): Een verrassing kan zowel een positieve zijn als een negatieve. Ik wil natuurlijk niet in de gevoelswaarde van de heer Van der Vlies treden, maar ik kan mij minder prettige verrassingen voorstellen. Die komen wel meer voor in het leven. Om onszelf maar niet op woorden vast te pinnen, zou ik het ook kunnen vertalen als ’’verbazing’’. Ik was daarover verbaasd! 

voorzitter. Ik vraag de regering ook in te gaan op berichten dat de Verenigde Staten zich in de wellicht zeer nabije toekomst ook militair willen richten op terroristische bases in andere landen dan Afghanistan. Zijn dergelijke voornemens inderdaad geuit in het verband van de VN, in het bijzonder de Veilig-heidsraad? Ik ga ervan uit dat indien dat zo is, dergelijke besluiten niet lichtvaardig zullen worden genomen en, wat mij betreft, ook niet dan na consultatie. Ook hier past een eigen oordeel en een eigen afweging van de regering. Ik vraag haar dat vanzelfsprekend op het geë igende moment te doen en daarop in te gaan, ook in de richting van de Kamer. 

voorzitter. Nog enkele opmerkingen over de gevolgen van de internationale situatie voor ons eigen land. Ook daar passen beheersing, verstandig handelen en het voorkomen van spanningen. Het komt mijzelf risicovol voor om plotseling te gaan pleiten voor een ander, een strenger integratiebeleid als gevolg van de aanslagen en de reactie daarop. Dat kan wel eens een te gemakkelijk antwoord zijn dat bovendien de vraag oproept of in voorgaande jaren het inzicht in de voorwaarden voor een goede integratie soms ontbrak. Ook hier is eerder bezinning nodig dan snelle statements. 

Het actieplan terrorismebestrijding en veiligheid dat de regering ons presenteerde, heeft de instemming van mijn fractie. Het bedrag dat daarvoor moet worden vrijgemaakt, is nog onduidelijk en behoeft vanzelfsprekend nadere toelichting. Het is logisch dat voor de noodzakelijke extra middelen de uitgaven-reserve wordt aangewend. Het actieplan leidt nog wel tot een reeks van vragen, maar ik neem aan dat daarover nog apart overleg tussen Kamer en kabinet zal plaatsvinden. Op sommige punten lijkt Nederland niet bijzonder snel te lopen. Pas over drie maanden, zo begrijp ik, zal uitvoerings- en goedkeurings-wetgeving voor gezamenlijke onderzoeksteams in EU-verband voor advies naar de Raad van State gaan. Ik noem maar een voorbeeld! Kan dat nu niet veel sneller? Het actieplan vermeldt ook dat de samenwerking tussen BVD en Europese zusterdiensten nu zal worden gei¨ntensiveerd. Zo’n simpele passage – dat de samenwerking tussen veiligheidsdiensten nu wordt gei¨ntensiveerd – roept natuurlijk direct de vraag op of dat tot op heden dan niet goed is gegaan, of het tot op heden aan die samenwer-king in Europees verband heeft geschort! Dat verplicht de regering wel tot een nadere toelichting. 

De uitbreiding van veiligheidsdiensten, marechaussee en politieonderdelen, is noodzakelijk, maar voordat die uitbreiding is gerealiseerd, zal moeten worden gewerkt met de bestaande bezetting. Welke risico’s zijn daaraan verbon-den? In het bijzonder vraag ik naar de effecten van verhoogde politie-inzet rond de terreurdreigingen, de effecten daarvan voor het andere politiewerk en voor de veiligheid. Hoe kan worden voorkomen dat die ’’gewone’’ veiligheid en dat ’’gewone’’ maar zo belangrijke politiewerk daaronder lijden? 

Ten slotte, voorzitter, enkele opmerkingen over de beveiliging van Schiphol. Die blijft in onze ogen nog steeds zorgelijk. Wij wachten nog op het oordeel van het kabinet over de wenselijkheid van het doorzetten van het wetsontwerp inzake de privatise-ring van de beveiligingstaken. Ik zou de regering nogmaals graag in overweging willen geven om voorlopig van behandeling in de Eerste Kamer af te zien. Mijn concrete vraag is voorts waarom wij in Nederland zouden moeten afwachten wat internationaal overleg oplevert over 100% controle van ruimbagage. Waarom kan Nederland niet zelfstandig besluiten om de ruimbagage op Schiphol voortaan niet met steekproeven te controleren, maar gewoon volledig? Veiligheid vraagt immers offers, ook van reizigers, ook van de mainport!

 


Updated, zondag 26 januari 2003
Today is The Day...

...AP Online
 

(Colofon)
hosted by
Hosted by XS4ALL

Go to The Top

© Layout 

mailto:

The Amsterdam Post

The Amsterdam Post

Only Words
Only Wordy
Only Worthy
Free